085-4865262 (dagelijks 8.00u - 22.00u)

Een ontzegging van de rijbevoegdheid, ook wel rijontzegging genoemd, wordt door de rechter opgelegd als bijkomende straf. De ontzegging van de rijbevoegdheid kan tegenwoordig ook buitengerechtelijke worden opgelegd, via een strafbeschikking, nadat de verdachte eerst door de officier van justitie wordt gehoord. Er komt dan een hoorzitting bij de officier van justitie alwaar een voorstel wordt gedaan voor de afdoening van de strafzaak.

Ontzegging rijbevoegdheid in de wet

De ontzegging van de rijbevoegdheid is geregeld in de Wegenverkeerswet (WVW '94). In de artikelen 179 t/m 180 WVW wordt bepaald voor welke feiten een ontzegging van de rijbevoegdheid kan worden opgelegd, en wat de maximale duur van de rijontzegging is.

Artikel 179

1. Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig wegens overtreding van de artikelen 6, 7, eerste lid,   8, 9, 162, derde lid, of 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
2. Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig wegens overtreding van de artikelen 5, 10, eerste lid,   12, eerste lid, 41, eerste lid, 51, eerste lid, 61, 74 of 114, dan wel van de eigenaar of houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen wegens overtreding van artikel 165, eerste lid, of artikel 166, eerste lid, kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
3. Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig wegens overtreding van het bepaalde krachtens deze wet kan hem in die gevallen, waarin dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
4. Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten in het eerste lid genoemd, nog geen vijf jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten de betrokkene de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste tien jaren worden ontzegd.
5.Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten in het tweede lid genoemd of krachtens deze wet aangewezen, nog geen twee jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een der in het eerste lid bedoelde strafbare feiten de betrokkene de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste vier jaren worden ontzegd.
6. Bij het opleggen van de bijkomende straf, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, wordt de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge   artikel 164 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering gebracht.
7. Voor de toepassing van dit artikel wordt met de bestuurder van een motorrijtuig gelijkgesteld degene die overeenkomstig de in   artikel 1, eerste lid, onderdeel n, bedoelde voorwaarde geacht wordt het motorrijtuig onder onmiddellijk toezicht van de bestuurder te besturen.
8. Voor de toepassing van het zesde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
9. Voor de toepassing van dit artikel wordt een strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld.
10. Voor de toepassing van het vierde onderscheidenlijk het vijfde lid, wordt onder vroegere onherroepelijke veroordeling mede verstaan een vroegere onherroepelijke veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens feiten soortgelijk aan de feiten, bedoeld in het vierde onderscheidenlijk het vijfde lid.

Artikel 179a

1. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 287 of   289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste tien jaren worden ontzegd.
2. Bij veroordeling wegens een der in de  artikelen 285, 301, 302 of 303 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt een strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld.

Artikel 180

1. Voor wat betreft de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is   artikel 557, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering op rechterlijke uitspraken niet van toepassing. Een strafbeschikking houdende deze bijkomende straf is in zoverre eerst voor tenuitvoerlegging vatbaar als geen verzet meer kan worden gedaan.
2. De rechterlijke uitspraak of strafbeschikking is voor wat betreft de bijkomende straf niet voor tenuitvoerlegging vatbaar, zolang de termijn waarvoor de veroordeelde bij een andere rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, nog niet is verstreken.
3. Indien de rechterlijke uitspraak of strafbeschikking voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, geschiedt de tenuitvoerlegging niet dan nadat aan de veroordeelde in persoon een schrijven is uitgereikt, volgens de artikelen 587 en 588 van het Wetboek van Strafvordering, waarin het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging, de verplichting tot inlevering van het rijbewijs uiterlijk op dat tijdstip, alsmede het gevolg van niet tijdige inlevering worden medegedeeld.
4. De houder van een rijbewijs is, tenzij het is ingevorderd en niet is teruggegeven, verplicht dat rijbewijs in te leveren op het parket van het openbaar ministerie vanwaar hij het schrijven, bedoeld in het derde lid, heeft ontvangen, uiterlijk op het tijdstip van ingang van de ontzegging.
5. Teruggave vindt plaats zodra de termijn van de ontzegging is verstreken. Geen teruggave vindt plaats ten aanzien van het rijbewijs of de rijbewijzen waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd, ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, 134, vierde lid, of180, derde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. De officier van justitie geleidt in deze gevallen het rijbewijs of de rijbewijzen door naar degene bij wie de houder dat rijbewijs of die rijbewijzen had dienen in te leveren. Indien het rijbewijs op grond van artikel 123b ongeldig is dan wel indien een aantekening is geplaatst als bedoeld in dat artikel, geleidt de officier van justitie het rijbewijs of de rijbewijzen door naar de Dienst Wegverkeer.
6. De termijn van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen wordt van rechtswege verlengd met het aantal dagen dat is verstreken tussen het tijdstip waarop het rijbewijs ingevolge het vierde lid had moeten worden ingeleverd en het tijdstip waarop nadien die inlevering heeft plaatsgevonden.
7. De termijn van de ontzegging wordt voorts verlengd met de tijd dat de veroordeelde gedurende de ontzegging rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
8. Voor de toepassing van het derde, vierde, vijfde en zesde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

Ontzegging rijbevoegdheid via strafbeschikking

Bij strafbeschikking kan de ontzegging van de rijbevoedheid aan de verdachte als hoofdstraf worden opgelegd. Tijdens de OM-zitting moet de verdachte voor het uitvaardigen van de strafbeschikking worden gehoord en moet hij zich bereid verklaren aan de rijontzegging te voldoen. Tijdens het horen kan met de verdachte worden afgesproken op welke dag de ontzegging van de rijbevoegdheid zal ingaan.

Ontzegging rijbevoegdheid via rechter

In de meeste gevallen wordt de ontzegging van de rijbevoegdheid als bijkomende straf naast een geldboete, werkstraf of gevangenisstraf opgelegd door de rechter. Of er een ontzegging van de rijbevoegdheid door de rechter wordt opgelegd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Feiten bij ontzegging rijbevoegdheid

De ontzegging van de rijbevoegdheid kan niet voor alle feiten worden opgelegd. Zo is het de rechter niet toegestaan een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen bij rijden zonder rijbewijs.

De gevallen waarbij de rechter of via een strafbeschikking een ontzegging van de rijbevoegdheid kan worden opgelegd staan vermeld in de artikelen 179 en 180 WVW. Het gaat o.a. om:

  • Gevaar op de weg veroorzaken (art. 5 WVW)
  • Verkeersongeval door schuld (art 6. WVW)
  • Verlaten plaats ongeval (art. 7 WVW)
  • Rijden onder invloed (art. 8 WVW)
  • Besturen motorrijtuig tijdens ontzegging/ongeldig verklaring rijbewijs (art. 9 WVW)
  • Straatrace/wedstrijd (art. 10 WVW)
  • Niet opvolgen aanwijzing (art. 12 WVW)

Verder kan een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd voor moord, doodslag, (zware) mishandeling, bedreiging indien dit feit is gepleegd met een motorrijtuig.

Rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid

Artikel 9, eerste lid, WVW 1994 bevat het verbod op de weg een motorrijtuig te besturen tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid. Een ontzegging van de rijbevoegdheid betreft een aan de veroordeelde individueel opgelegde verplichting om gedurende een bepaalde tijd geen motorrijtuigen (inclusief bromfietsen, landbouwtrekkers en gehandicaptenvoertuigen voorzien van een motor) te besturen.

Voor een veroordeling wegens het rijden tijdens de ontzegging van de rijbevoegdheid is het wel van belang dat de ingangsdatum van de ontzegging bij de verdachte bekend was. De ingangsdatum wordt meestal wel per aangetekende brief aan de veroordeelde bekend gemaakt. Uit de bewijsmiddelen moet zonder meer blijken dat wordt voldaan aan het delictsbestanddeel 'weet of redelijkerwijs moet weten'. Het is daarom van belang dat uit het strafdossier blijkt:

− dat de rechter de bijkomende straf heeft opgelegd of de officier van justitie de strafbeschikking heeft uitgevaardigd,
− wat de datum van de uitspraak of uitvaardiging van de strafbeschikking was,
− dat de verdachte reed gedurende de tijd dat hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd,
− dat de betrokkene de betekening van de (ingangsdatum van de) hem opgelegde ontzegging6in persoon heeft ontvangen,
− wat de ingangsdatum van de OBM is.